Actualiteiten Petities Symposium

 

 

 

 

NIEUWS

Actualiteiten

OPROEP TOT DEMONSTRATIE
28 OKTOBER 2009

15.00 UUR 0P HET PLEIN IN DEN HAAG

Op 28 oktober aanstaande zal er een gesprek plaats vinden tussen de Delegatie van het Indisch Platform en Staatssecretaris Jet Bussemaker.

Stichting Japanse Ereschulden is lid van het Indisch Platform, de voorzitter is lid van de Delegatie.

Na het gesprek met de Staatssecretaris vindt er een persbijeenkomst plaats in het restaurant Luden aan het Plein in Den Haag.

Om uw betrokkenheid te uiten wordt er tussen 15.00 en 18.00 uur een demonstratie georganiseerd op het Plein in Den Haag. Wij roepen u op hiernaar toe te komen, poekoel teroes. Paraplus en spandoeken meenemen!

Er zullen veel mensen zijn, ook van andere bij het Indisch Platform aangesloten organisaties. We zien graag dat u ook komt. U krijgt dan de uitslag van het overleg met de Staatssecretaris te horen.

De demonstratie is serieus, maar moet wel gezellig blijven: dus geen wilde uitbarstingen, maar wel verhalen aan omstanders en passanten. Het is

het moment waarop Tweede Kamerleden, ambtenaren en winkelende mensen langs het Plein komen. Het is voor onze zaak van belang dat wij met een zo groot mogelijke achterban op het Plein aanwezig zijn. Voor een ieder die kan, kom! Laat zien dat wij nog steeds in groten getale van de Nederlandse regering eisen de NIOD rapporten serieus te nemen.

De regering moet haar conclusies trekken door met een finale genoegdoening, een waardige invulling te geven aan de conclusies van de NIOD rapporten.


Het bestuur van de Stichting Japanse Ereschulden

Den Haag, 13 oktober 2009.

Toespraak Voorzitter Tweede Kamer bii de bijeenkomst van de Stichting Herdenking 15 augustus 1945 in de Tweede Kamer, op vrijdag_ 14 augustus 2009


Dames en heren,


Hartelijk welkom in het gebouw van de Tweede Kamer, welkom bij de Indische Plaquette.

Zoals ieder jaar gedenken wij hier vandaag, aan de vooravond van de vijftiende augustus, de capitulatie van Japan in 1945.


Ik heet speciaal mevrouw De Niet welkom, die ik persoonlijk heb uitgenodigd. Ik stel het zeer op prijs dat zij hier, ondanks haar broze gezondheid en hoge leeftijd, vandaag bij ons wil zijn.


Ik had een speciale reden om mevrouw De Niet uit te nodigen.

Haar man was in de jaren 60 lid van de Eerste Kamer - "de overkant" zoals wij dat in de Tweede Kamer noemen. Later werd hij er voorzitter; een voorganger dus van mevrouw Timmerman.


Mevrouw De Niet heb ik kort geleden Ieren kennen.

In het gesprek dat wij toen hadden, vertelde zij mij over haar ervaringen in Indië tijdens de oorlog.

Alles wat zij heeft meegemaakt, staat haar nog zeer scherp voor de geest.

En toen ze vertelde, zag ik het bijna voor mij.


Het jonge echtpaar Maarten en Edith de Niet komt in juli 1939 vol verwachting in Indië aan. Zendingconsul was Maarten geworden en ze betrekken een huis in Batavia.

Maar nog geen jaar later nadert het onheil.

Nederland wordt bezet en contact met het moederland is niet meer mogelijk.

Twee jaar later bereikt de oorlog ook Batavia.

En zo komt het moment dat Edith de Niet nooit meer zou vergeten: in de vroege ochtend van Hemelvaartsdag 1942 wordt haar man Maarten door de Kempetai van huis opgehaald. Ze probeert nog met hem mee te fietsen, zodat ze tenminste zou weten waar hij heen werd gebracht. Maar ze houdt het niet bij.

Die avond komt een onbekende man langs, die even stilstaat bij haar voorbalkon. "Hij is in Boekit Doeri" fluistert hij. Die man blijft ze de rest van haar leven dankbaar. Ze wist toen in elk geval waar Maarten was, ook al was contact niet meer mogelijk.

Op 4 december 1942 wordt Edith zelf geïnterneerd in het vrouwenkamp Tjideng in Batavia. :

Ondergebracht in een klein huisje, samen met 2 andere vrouwen. Aan het eind van de oorlog wonen er in dat huisje 27 vrouwen en kinderen.

Mevrouw De Niet heeft het zoals u ziet overleefd.


En na bijna 3 jaar van vernedering en machteloosheid kwam die dag, nu 64 jaar geleden. De dag dat de Japanse kampcommandant Sonei de kampoudsten bij zich riep - waaronder mevrouw De Niet.

Ook dat moment zou ze nooit meer vergeten.

"Het is afgelopen", zei Sonei, en terwijl hij een lucifersdoosje op tafel smeet voegde hij toe: "Door zo'n klein bommetje!"

Vier weken later kwam Maarten de Niet in Tjideng aan. Ook hij had het overleefd.

Bij oorlogsverhalen denkt bijna iedereen aan verhalen over soldaten, over loopgraven, over wapengeweld.

Maar de meeste herinneringen van mensen die de oorlog hebben meegemaakt gaan over heel andere dingen.

Over honger en ontbering.

Over onzekerheid en angst.

En vooral: over machteloosheid.

"Het ergste vond ik de wetenschap dat je geen kan op kunt", zei mevrouw De Niet. "In het begin mochten we het kamp nog uit om naar de markt te gaan. Maar toen de Japanse soldaten de leiding over het kamp overnamen was dat afgelopen. We mochten niets meer. En er kwamen steeds meer pesterijen: urenlang appèl, gedwongen wachtlopen, alleen 's nachts water mogen halen. Ze konden met ons doen wat ze wilden. Je bent totaal machteloos, overgeleverd aan de willekeur van de vijand. Dat vond ik het ergst."

Juist die ervaringen zijn het, die mensen de rest van hun leven meedragen.

Ieder mens persoonlijk, met zijn eigen angsten en nachtmerries. Zoals mevrouw De Niet, die de aanblik van een gevangenis nooit meer heeft kunnen verdragen.

Maar niet alleen ieder mens persoonlijk.

Ook de gezinnen dragen de sporen, de kinderen - zij die de oorlog als heel jong kind hebben meegemaakt en zelfs zij die pas na de oorlog zijn geboren.

Wat dat betreft was de familie De Niet geen uitzondering.

"Er was een groot geheim, waarover nooit gesproken werd", vertelde haar dochter me. "Als kind voel je dat, ook al begrijp je het niet. Voor emoties was in ons gezin geen enkele ruimte. Ook wij, de kinderen, mochten nooit boos zijn, of verdrietig'. Niet piepen, zeiden mijn ouders dan - en daarmee was de kous af."

Inmiddels, meer dan 60 jaar na de bevrijding, zijn er vele studies verschenen over de gevolgen van trauma's voor de slachtoffers zelf en hun omgeving.

Maar in de jaren 50, toen de gezinnen hun leven weer probeerden op te bouwen, was voor zulke dingen geen aandacht.

En al zeker niet als het om ervaringen uit Indië ging.

Mannen en vrouwen die de oorlog in Nederland hadden meegemaakt, konden de draad weer oppakken in hun vertrouwde omgeving - in hun eigen stad of dorp.

Aan veel Indische Nederlanders was ook dat ontnomen.

En aandacht voor hun verhalen was er al helemaal niet.


Niet van de burgers. Zij hadden genoeg aan hun eigen zorgen. En van dat verre Indië konden zij zich geen voorstelling maken.


En ook niet van de politiek. Natuurlijk, er werd in Den. Haag zeker over Indië gesproken.

Maar alleen over de vraag, hoe we de opstand daar konden onderdrukken. Hoe we de kolonie zouden kunnen behouden. Niet over de vraag, wat de Nederlanders die er vandaan kwamen allemaal hadden meegemaakt en achtergelaten.


En zo duurt elke oorlog in het hart van mensen veel langer dan de data uit de geschiedenisboekjes.

De vrede is allang getekend, maar de nachtmerries zijn nog lang niet voorbij.

De angst dat je je man nooit meer zult zien

De onzekerheid over het lot van je vrouwen kinderen.

Maar ook de beklemming bij de kinderen over de geheime zaken die hun ouders zo krampachtig voor hen proberen te verbergen.

"Niet mijn oorlog, wel mijn leven", noemen ze dat bij de INOG, de Werkgroep Indische Na-oorlogse Generatie - het is niet voor niets nu al 20 jaar een bloeiende organisatie.

Te veel onbeantwoorde vragen over het verleden van de ouders. Het tekent het leven van de kinderen.

Ze weten niet, maar het deert wel.


Hoeveel slachtoffers telt een oorlog?

Meer dan 25.000 Nederlanders hebben in de oorlogsjaren in Indië de dood gevonden: 8.500 krijgsgevangenen en bijna 17.000 mannen, vrouwen en kinderen in de burgerkampen.

Maar het aantal slachtoffers van de oorlog is een veelvoud daarvan. De mannen en vrouwen die nooit meer de mensen werden die ze vroeger waren.

De vaders en moeders voor wie het een hele opgave was om hun kinderen in liefde en harmonie te laten opgroeien. En de kinderen die de oorlog niet meemaakten, maar over wiens jeugd altijd een schaduw lag.

Ook voor hen zijn we hier vandaag. Ook voor hen herdenken we deze dag.


Want het was niet hun oorlog. Maar het is wel hun leven


Human Rights Council
Chairperson UPR committee
United Nations Geneva,
Switserland

The Hague, January 12, 2008
Subject UPR 2nd session
Country under review Japan
Reference number 2008 0114
NGO Foundation Japanese Honorary Debts

Dear Chairperson,

The Dutch Queen Beatrix upon the occasion of her state visit to Japan said in her official speech at the State Banquet on October 22, 1991:

The events during the Second World War caused a deep gulf between our two people (Japan and the Netherlands). A great number of Dutch people became victims of the horrors of the war in the Pacific. Some were involved as members of the armed forces, but over 100,000 civilians were interned (in concentration camps) for many long years. Many of my compatriots did not survive the war. Those who did return are marked for life by their experiences. Consequently, they are still suffering the pain and distress inflicted on them in those days, in spite of the time that has passed since then.”

Now 17 years later the contents of the speech by Queen Beatrix are still treated with great superfluity by the Japanese government. This disregard continues still after many petitions, numerous reports and even a court case in which Japan was convicted by its own judges of having violated the The Hague convention of 1907 and thus was liable to pay damages to victims. Japan refuses to pay those damages on legal grounds.

Japan claims that the San Francisco Peace Treaty of 1951 waived such an obligation. However violations of Human Rights cannot be waived by any treaty; hence this petition to the Human Rights Councils’ UPR Committee in reviewing Japans’ human rights past:

To consider Japan’s unacceptable position in disregarding its violation of human rights during the Japanese occupation of Dutch East Indies from 1942-1945, whilst being convicted in its own law courts of having violated the human rights during that period.

The Foundation of Japanese Honorary Debts function is to protect the interests of the Dutch POW’s, detained civilians and their families who were victims of war crimes perpetrated by the Japanese Military on behalf of the Japanese government during the Second World War. The Foundation was established in 1990, registered some 90,000 victim members and is supported by some 10,000 fee paying contributors. The registered members commissioned the Foundation to take action in regard to obtaining justice.

All Prime Ministers of Japan have been requested by various means including 158 written petitions to provide an immediate solution to pay compensation to the victims of Japanese war crimes and not to hide behind the San Francisco Peace Treaty of 1951. In the Peace Treaty article 14a waives the reparation stemming from war aggression which Japan started, but does not exclude violations of human rights, the The Hague Convention of 1907 and other commitments made by Japan prior to the commencement of the Pacific War in the 1930’s.

During the Pacific War Japan adopted a plan which called for invading other Asian countries. Japan’s main motive for this plan was to pillage the oil resources of Dutch East Indies and make it a Japanese colony, possibly giving “independence” to the autochthonous people under Japanese rule. Inherent in this plan was the capture of the Dutch armed forces and Dutch civilians, treating them cruelly and using them as expendable slave labour. Young and old, men and women, were interned in concentration camps or kept outside depending on their ethnic level. All went, because they were Dutch, through a hell of indescribable brutality perpetrated by the Japanese Military. Girls and young women were forced into sexual slavery at the hands of Japanese officers and soldiers. Young boys of over 10 years were separated from their mothers. Some of them were sexually abused.

The autochthonous people were enticed to collaborate and to exclude the Dutch, in particular those outside the camps because of their western orientation. The Dutch became outlaws, criminals without rights or protection. After Japan’s defeat in war, those persons who were directly responsible for the inhumane treatment of captives were charged with war crimes and either hanged or punished as war criminals. The Japanse government on whose behalf these criminal acts were executed remains so far free.

The injury brought to those who survived are not sequestered only in the past; these victims of cruel atrocities have been suffering ever since as a result of the deep brutalization received in days long past. Many of the victims of some 60 years ago have died since, but the trauma’s and physical pain they suffered after what they had to endure at the hands of the Japanese Military were such that frequently they wished to die soon and be relieved of the terrible trauma. Children and grandchildren still suffer from their (grand) parents traumas. We see the effects daily.

The excessive transgressions by the Japanese Military were carried out on behalf of the Japanese government and are crimes against humanity as a result of intentional and systematic acts of desecration. Thus reparation for the damage done, not stemming from aggressive war acts, is the responsibility of the Japanese government then and now. Up till now the Japanese government has not shown the integrity to accept responsibility and provide just reparation for the deep and abiding injury deliberately caused to the Dutch victims of war.

Much of the cruelties by the Japanese and their forced “allies” have been subject to study and publication.

The statistics are well known:

of the 300,000 Dutch who lived in Dutch East Indies in 1942 at the beginning of the war

  • 15% or 45,000 died as a result of the Japanese cruelties,

  • at least 25% or 75,000 suffered incurable disorders,

  • more then 80% can not forget, but survive with traumas,

  • 95% lost their household and their private possessions,

  • all lost their future and had to leave the country.


The reports made on behalf of and instructed by the United Nations include:

  • Ms Radhika Coomaraswamy-E/CN.4/1995 dated 24 November 1994 and E/CN.44/1996/53/ADD dated 1 January 1996 on war crimes committed by Japan and recommendations,

  • The Working Group on Contemporary Forms of Slavery.

The reports are more ten 10 years old. To date Japanese authorities are ignoring the findings and make no move to implement the recommendations.

The Human Rights Council too did not advise Japan that they can not be taken seriously as long as they keep ignoring these reports.

During the same period the Foundation of Japanese Honorary Debts submitted as NGO with Roster Status, to the United Nations Human Rights Commissioner/Council written statements, oral statements and made interventions. No action has taken place to point out to Japan its obligations under international conventions and its poor humans rights record.

158 petitions have been submitted by the Foundation of Japanese Honorary Debts to the Prime Minister of Japan. The Foundation continues to demonstrate each second Tuesday of the month at the Japanese Embassy in The Hague demanding justice and hand over a petition for the Japanese Prime Minister elaborating on this demand. No acknowledgement of receipt has ever been given, but the Japanese Ambassador in The Hague keeps assuring us that the petitions are transmitted to Tokyo.

Another UN institution ILO expresses its concern about Japan’s poor war time behavioral records. At the ILO conference statements and recommendations of the Committee of Experts on the Application of Conventions to the International Labour Conferences were made but ignored by Japan!

And lately the parliamentary motions passed and adopted unanimously requesting Japan to apologize and repair damage done to the victims and communicate with the Japanese people on military sexual slavery during World War Two in Asian countries including Dutch East Indies, by:

  • the American House of Representatives and Senate,

  • the Dutch Parliament

  • The Canadian House of Commons

  • The European Parliament.

  • The motions request the respective governments to urge Japan to resolve the issues mentioned.

All reports, motions, petitions and other ways and means of communication share our conviction that Japan must reconsider its position and accept that Japan violated Human Rights during World War Two in former Dutch East Indies and face the consequences.

In preparing the UPR on Japan we urge you to take seriously in consideration:

  • the report by the Special Raporteur Ms. Coomaraswamy,

  • the report by the Working Group on Contemporary Forms of Slavery,

  • the ILO statements on Japan’s slave labour practices during the war,

  • the parliamentarian motions of the United States of America, The Netherlands, Canada and Europe,

  • the 158 petitions to the Japanese Prime Ministers and written and oral submissions to the Human Rights Commissioner/Council by the Foundation of Japanese Honorary Debts,

and to urge Japan to accept its responsibilities for its war time past and show its integrity as civilized nation fit to be member of the United Nations.

Finally we look to you, the Human Rights Council, to condemn Japan and to help us to find justice for the horrors committed by the Japanese Military to our people.

If you require any further clarification we are happy to respond verbally or in writing.

On behalf of the Foundation of Japanese Honorary Debts,

J.F. van Wagtendonk W.K. Lamain
President NGO Liaison


Motie-Van Baalen inzake erkenning lot troostmeisjes unaniem door Kamer aanvaard

De Kamer heeft vanmiddag, dinsdag 20 november 2007, met algemene stemmen de Motie-Van Baalen aanvaard. Deze motie eist van Japan dat dit land het lot van de troostmeisjes, die tijdens de Japanse bezetting van, ondermeer, toenmalig Nederlandsch-Indië, tot prostitutie werden gedwongen, volmondig erkent. De Kamer wil dat de Japanse regering de troostmeisjes excuses en een directe vorm van compensatie voor het aangedane leed aanbiedt. De Japanse regering dient er voorts voor te zorgen dat de Japanse oorlogsmisdaden, waaronder het lot van de troostmeisjes, op objectieve wijze in de Japanse schoolboeken worden vermeld. De Nederlandse regering heeft bij monde van minister Verhagen van Buitenlandse Zaken, de motie-Van Baalen omarmd. Zij zal er bij de Japanse regering met klem op aandringen aan de in de motie gestelde voorwaarden te voldoen.

08.11.2007 – Motie Van Baalen cs inzake de troostmeisjes

De Kamer, gehoord de beraadslaging,

overwegende dat Japan een strategische partner in Azië is, waarmee Nederland 400 jaar betrekkingen onderhoudt, waarvan 150 jaar diplomatieke in 2008, en waarmee ons land een gemeenschappelijke toekomst gestalte wil geven;

van mening dat Japan zonder enige terughoudendheid in het openbaar haar volle verantwoordelijkheid moet nemen voor het systeem van gedwongen prostitutie, zoals dat in de jaren voor en tijdens de Tweede-Wereldoorlog werd gehanteerd, en voor het leed dat daarbij aan de zogenoemde troostmeisjes is aangedaan en waarover geen twijfel kan en mag worden opgeworpen;

constaterende dat de Japanse regering door middel van de zogenaamde Kono-verklaring uit 1993 weliswaar het lot van de troostmeisjes heeft erkend, haar spijt tegenover de slachtoffers heeft betuigd en met deze verklaring die verantwoordelijkheid heeft aanvaard, maar evenzeer constaterende dat de Japanse regering en Japanse parlementariërs bij verschillende gelegenheden daarvan afstand hebben genomen, zoals blijkt uit de later herroepen uitspraken van de toenmalige premier Shinzo Abe in maart jl. en de advertentie van leden van het Japanse Lagerhuis in de Washington Post eerder dit jaar over hetzelfde ontwerp;

kennisnemende van de brief, die de voorzitter van het Japanse Lagerhuis op 7 november jl. in antwoord op het schrijven van de voorzitter van de Kamer van 26 juni jl. over de advertentie in de Washington Post heeft geschreven en waarin hij afstand neemt van de genoemde advertentie;

overwegende dat bepaald lesmateriaal op Japanse scholen onvoldoende recht doet aan de erkenning van de Japanse oorlogsmisdaden, waaronder de behandeling van de troostmeisjes;

overwegende dat Japan via het Asian Women’s Fund aan de voormalige troostmeisjes vormen van compensatie heeft geboden, deels gefinancierd vanuit publieke middelen, maar dat deze compensatie door een particuliere organisatie werd verleend;

verzoekt de regering aan de regering van Japan met klem te vragen af te zien van enige verklaring, die afbreuk doet aan de spijtbetuiging van 1993 en de volle verantwoordelijkheid te nemen voor de betrokkenheid van het Japanse leger bij het systeem van gedwongen prostitutie;

verzoekt de regering aan de regering van Japan met klem te vragen een aanvullend gebaar te maken door de thans nog levende troostmeisjes een vorm van directe morele, resp. financiële compensatie voor het aangedane leed aan te bieden;

verzoekt de regering aan de regering van Japan met klem te vragen te bevorderen dat al het lesmateriaal op de Japanse scholen een waarheidsgetrouw beeld geeft van de Japanse rol in de Tweede-Wereldoorlog, waaronder het lot van de troostmeisjes;

en gaat over tot de orde van de dag.

Van Baalen

Wilders

Van der Staaij

Van Gennip

Peters

Thieme

Van Dam

Voordewind

Verdonk

Van Bommel

Pechtold


Den Haag, 2 november 2007

OPROEP AAN HET NEDERLANDSE PARLEMENT

TOT HET INDIENEN VAN EEN MOTIE INZAKE SLACHTOFFERS VAN JAPANSE MILITAIRE SEKSUELE SLAVERNIJ VOOR EN TIJDENS WO II

Amnesty International, de Stichting Japanse Ereschulden en het Indisch Platform verzoeken de leden van de Tweede Kamer een motie in te dienen met betrekking tot de slachtoffers van de door Japan afgedwongen militaire seksuele slavernij in de jaren dertig en tijdens de Tweede Wereldoorlog. Deze slachtoffers staan ook wel bekend onder de naam ‘Comfort Women’ of troostmeisjes.

In deze motie zou de Nederlandse regering moeten worden opgeroepen om bij de Japanse regering aan te dringen op:

  1. Publieke aanvaarding van de volledige verantwoordelijkheid voor het systeem van gedwongen seksuele slavernij zoals dat door de Japanse autoriteiten werd gehanteerd in de jaren dertig en tijdens de Tweede Wereldoorlog en voor het leed dat daarbij is veroorzaakt. Tevens zou de Japanse regering seksueel geweld tegen vrouwen, in welke vorm dan ook, publiekelijk moeten afwijzen.

  2. Het bieden van adequate en effectieve compensatie aan de vrouwen en meisjes die in de jaren dertig en tijdens de Tweede Wereldoorlog door de Japanse autoriteiten werden gedwongen tot seksuele slavernij, of aan hun naaste verwanten.

  3. Het doen opnemen in Japanse schoolboeken van een objectieve en feitelijke weergave van het systeem van gedwongen seksuele slavernij zoals dat door de Japanse autoriteiten werd gehanteerd in de jaren dertig en tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Daarnaast verzoeken wij de leden van de Tweede Kamer hun collega’s van het Japanse parlement (DIET) op te roepen officieel verontschuldigingen aan te bieden aan de vrouwen en meisjes die in de jaren dertig en tijdens de Tweede Wereldoorlog door de Japanse autoriteiten tot seksuele slavernij werden gedwongen, of aan hun naaste verwanten. Daarnaast zou de DIET voldoende middelen beschikbaar moeten stellen voor adequate en effectieve compensatie aan de vrouwen en meisjes die in de jaren dertig en tijdens de Tweede Wereldoorlog door de Japanse autoriteiten tot seksuele slavernij werden gedwongen, of aan hun naaste verwanten.

Hoogachtend,

E. Nazarski,

lt.gen.bd.
J.H. de Kleyn,

J.F. van Wagtendonk

Directeur Amnesty International

Voorzitter Indisch Platform

Voorzitter Stichting Japanse Ereschulden









Voorzitter


Aan de voorzitter van de

Stichting Japanse Ereschulden

de heer J.F. van Wagtendonk

Zoutmanstraat 23 x,

2518 GL Den Haag


Den Haag, 26 juni 2007



Geachte heer Van Wagtendonk,


Graag wil ik u danken voor uw brief met bijlagen van 17 juni jl. waarin u mij attendeert op de advertentie van Japanse Parlementariërs in de Washington Post van 14 juni waarin wordt beweerd dat er geen gedwongen seksslavernij is geweest tijdens de Japanse bezetting van Azië. Naar mijn mening veroorzaakt deze advertentie veel pijn en leed bij de betrokkenen.


Daarom heb ik, mede namens alle leden, een brief gestuurd naar mijn Japanse collega, de heer Yohei Kono, Voorzitter van de Japanse Diet. De tekst van deze brief is tot stand gekomen in overleg met alle fractievoorzitters van de Tweede Kamer. Een kopie van deze brief treft u hierbij aan, zodat u van de inhoud van deze brief kennis kunt nemen.


Gerdi A. Verbeet

Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal





Tweede Kamer der Staten-Generaal, Binnenhof 1a, 25J.3 AA Den Haag

Telefoon +3J. 70 3J.8 20 00, E-mail voorzitter@tweedekamer.nl

Postbus 200J18. 2500 EA Den Haag



Voorzitter



H.E. Mr Yohei Kono
President of the House of Representatives of the National Diet
Tokyo
Japan
The Hague, 26 June 2007

Excellency,

On behalf of the members of the House of Representatives of the States General of the Netherlands I would like to convey our great disappointment and public indignation regarding the content of an advertisement that members of the National Diet have placed in the Washington Post. In this advertisement the fate of the so called 'comfort women' is being questioned. However, independent historical research based on testimonies of many women demonstrates that during the Second World War an estimated 200.000 women, including some 300 Dutch women, were forced into prostitution by the Japanese military. The position taken by the members of the National Diet who signed the text of the advertisement denies these crimes against humanity. I regret this position because it is a slap in the face of the victims and their relatives and prevents the healing of old wounds.

In my view members of Parliament should face the history of their country and come to grips with it. In this way they can contribute to mutual understanding between nations. I would like to refer in this regard to the Prime Minister of Japan, H.E. Shinzo Abe, who last April

announced his intention to adhere to the statement of the Japanese government made in 1993 in which the Japanese government recognized the forced prostitution by the Japanese military and offered apologies to the women who were the victims of these crimes.

I appeal to you to make every effort to have the members of the National Diet endorse the position of the Japanese government formulated in 1993 and to refrain from any statement

that questions the terrible fate of the victims of forced prostitution during the Second World War.

Yours sincerely,



Gerdi A. Verbeet

PresIdent of the House of Representatives of the States General



P E R S B E R I C H T



De Stichting Japanse Ereschulden is verheugd, dat in Washington door het Amerikaanse Huis van Afgevaardigden (Commissie Buitenlandse Zaken) de resolutie betreffende de Troostmeisje met grote meerderheid is aangenomen. De resolutie werd op 31 januari 2007 ingediend door de afgevaardigde uit Californië, Michael M. Honda, een Amerikaan van Japanse afkomst.

In de resolutie vraagt, de Amerikaanse regering dringend aan de Japanse regering (Kabinet en Parlement) om:



  1. Officieel de historische verantwoordelijkheid voor de daden van haar Keizerlijke Strijdkrachten te erkennen.

  2. Excuus aan te bieden aan de individuele slachtoffers van de Japanse seksuele exploitatie van vrouwen en meisjes tijdens haar koloniale periode en Tweede Wereldoorlog in Azië.

Ook het Canadese parlement overweegt een resolutie aan te nemen doch eist daarbij ook dat Japan de slachtoffers schadeloos stelt. In Australië zijn dergelijke voorstellen eveneens aan de orde.

Bewezen is dat ook tenminste 300 Nederlandse vrouwen en meisjes seksueel zijn misbruikt.

Het Nederlandse Parlement mag bij deze resoluties niet achterblijven!

Wij hopen namens onze achterban, dat kamerbreed een motie wordt aangenomen met het dwingende verzoek aan Japan om:

  1. formeel excuses van de Japanse regering en volksvertegenwoordiging (Diet) aan de individuele slachtoffers aan te bieden,

  2. genoegdoening te regelen in overleg met de slachtoffers,

  3. in de geschiedenisboeken de ware toedracht van de door Japanse militairen georganiseerde seksuele slavernij op te nemen.

Stichting Japanse Ereschulden

J.F. van Wagtendonk , voorzitter.





WIJ GAAN DOOR, BLIJF ONS STEUNEN!

Waarde donateurs en sympathisanten,

Den Haag, 14 januari 2007

 

Betreft: Verklaring aan de Indische Gemeenschap in Nederland van het Indisch Platform naar aanleiding van het kabinetsstandpunt van 12 januari 2007 betreffende back pay, oorlogsschade, roof en rechtsherstel.

Op 12 januari 2007 heeft de Minister President de heer Balkenende aan de delegatie van het Indisch Platform onder leiding van de voorzitter van het Indisch Platform de heer Jan de Kleyn het standpunt van het kabinet kenbaar gemaakt betreffende back pay, oorlogsschade, roof en rechtsherstel naar aanleiding van de door het NIOD begeleidde wetenschappelijke onderzoeken betreffende deze kwesties. Het kabinet oordeelt dat er "geen nieuwe feiten of gezichtspunten" uit de onderzoeken naar voren zijn gekomen om "het gevoerde beleid te wijzigen of om op eerdere afspraken terug te komen."

Dit is een teleurstellend resultaat na 4 jaar onderzoek waarin overduidelijk de politieke onwil en het politieke opportunisme van de toenmalige bewindslieden wordt aangetoond. Nadrukkelijk komt naar voren dat de Nederlandse politiek onder druk van buitenlandse mogendheden de individuele rechten op schadeloosstelling verbeurdt (Vredesverdrag van San Francisco 1951) en de back pay schuld wel betaald aan Zuid Afrikaanse KNIL soldaten, omdat het politiek opportuun is in de relatie met Zuid Afrika, maar niet aan de Nederlanders. Weliswaar lijkt de Nederlandse overheid het recht op betaling van achterstallige salarissen aan KNIL-soldaten, inclusief dienstplichtigen, en ambtenaren te erkennen, maar verwijst naar Indonesië als rechtsopvolger van het Nederlands Indisch gouvernement als verantwoordelijke.

Onze conclusie naar aanleiding van de twee onderzoeken is:

dat Nederland zich moreel verplicht moet voelen om de back pay te voldoen en de oorlogsschade op een adequate wijze te vergoeden.

Ondanks de fraaie bewoordingen en persoonlijke betrokkenheid van de aanwezige kabinetsleden was het zeer duidelijk dat het kabinet excuses noch compensatie wilde geven en haar standpunt om "politiek/juridische" redenen had bepaald. Men vroeg daar begrip voor.

De voorzitter van het Indisch Platform Jan de Kleyn stelde zeer duidelijk en nadrukkelijk dat het kabinet standpunt "onaanvaardbaar" is voor de Indische Gemeenschap. Hij voegde daaraan toe dat hij niet begrijpt dat het kabinet niet de gelegenheid aangrijpt noch de moed heeft om de Indische kwestie eervol af te ronden. Zie bijgaande verklaring van Het Indisch Platform aan de Indische Gemeenschap.

De kille en bureaucratische behandeling van de Indische kwestie herhaalt zich in de brief van de Staatssecretaris van VWS aan de Tweede Kamer van 12 januari 2007. Zij stelt daarin dat voor de geconstateerde fouten en tekortkomingen al in 2000 een financiële tegemoetkoming ter beschikking is gesteld – Het Gebaar( kille en bureaucratische ontvangst). Zij stelde tevens dat de onderzoeken geen aanleiding kunnen vormen voor hernieuwde onderhandelingen met de Indische Gemeenschap over een aanvullende claim. Wij bestrijden dit standpunt krachtig op grond van de wetenschappelijke NIOD onderzoeken: "Indisch Rekening" en "Sporen van Vernieling".

De angst bij het kabinet om te moeten betalen voor wanbeleid van voorgangers is waarschijnlijk groter dan de morele moed om te erkennen dat wat fout is gegaan in het verleden. Uit de onderzoeken kan uitsluitend worden geconcludeerd dat welgemeende excuses door de Nederlandse overheid worden aangeboden en dat recht wordt gedaan aan de Nederlanders uit Indië die voor het Nederlandse volk en vaderland zo geleden en verloren hebben.

Het Indisch Platform vertegenwoordigt de Indische Gemeenschap in de volle breedte. De delegatie van het Indisch platform, waar uw voorzitter lid van is, zal het nieuwe kabinet trachten te overtuigen dat het huidige kabinetsstandpunt onaanvaardbaar is naar aanleiding van de NIOD onderzoeken en dat Nederland als gevolg van de uitkomsten van de onderzoeken de morele en sociale plicht heeft om recht te doen aan de Indische Gemeenschap.

Wij houden u op de hoogte bij de maandelijkse 2e dinsdag van de maand demonstratie bij de Japanse Ambassade in Den Haag, via ons Nieuws Magazine en op de donateursvergadering van 29 mei 2007 in hotel Bel Air, Den Haag. Bezoek ook van tijd tot onze website www.jesinfo.org.

Met vriendelijke groeten,

Namens het bestuur van de Stichting Japanse Ereschulden

Jan van Wagtendonk

voorzitter

Kopie: Delegatie Indisch Platform

Voorzitter Stichting Vervolgingsslachtoffers Jappenkamp

WIJ GAAN DOOR, BLIJF ONS STEUNEN.


APS: Kabinet: standpunt rechtsherstel Nederlands-Indië onveranderd

Origineel persbericht.

Vrijdag 12 januari 2007, nummer 1

Kabinet: standpunt rechtsherstel KNIL-militairen en oud-ambtenaren Nederlands-Indië onveranderd

Het kabinet blijft bij het standpunt dat de Staat der Nederlanden niet verplicht is tot het uitkeren van achterstallig salaris aan KNIL-militairen en oud-ambtenaren uit het voormalig Nederlands-Indië. In 2000 heeft het toenmalige kabinet reeds bepaald dat verder historisch onderzoek naar leemten in de geschiedschrijving rond de periode van de Japanse bezetting en dekolonisatie niet tot betalingen zouden kunnen leiden. Dat heeft het kabinet vandaag meegedeeld aan het Indisch Platform.

In 2000 besloot het toenmalige kabinet uit morele overwegingen tot een finaal gebaar dat recht moest doen aan de bijzondere omstandigheden waarbinnen het rechtsherstel in Nederlands-Indië heeft plaats gevonden. Er is toen overgegaan tot het geven van individuele uitkeringen aan ongeveer 100.000 betrokkenen (totaal bijna 160 miljoen euro) en het beschikbaar stellen van bijna 16 miljoen voor collectieve doelen.

Naast dat financiële gebaar zijn twee onderzoeken in gang gezet; aanvullend onderzoek naar de haalbaarheid van het in behandeling nemen van individuele claims met betrekking tot goederen die tijdens de oorlog met Japan zijn verloren of beschadigd zijn geraakt en historisch onderzoek naar de geconstateerde leemten in de geschiedschrijving rond de periode van de Japanse bezetting en de dekolonisatie.

Uit het eerste onderzoek, dat is uitgevoerd door de Technische Commissie Haalbaarheidsonderzoek Indische Tegoeden en zich uitstrekte tot archiefonderzoek in Nederland, de Verenigde Staten, Groot Brittanië, Singapore, Maleisië, Indonesië en Japan, is gebleken dat het reconstrueren van op individueel niveau geleden schade niet mogelijk is.

Het onderzoek naar de leemten in de geschiedschrijving heeft volgens het kabinet bovendien geen nieuwe feiten opgeleverd. Zoals de Hoge Raad in 1956 en 1958 vaststelde hadden KNIL-militairen en oud-gouvernementsdienaren recht op uitbetaling van achterstallig loon, maar kan de Staat der Nederlanden daarvoor niet financieel verantwoordelijk worden gesteld. Die verantwoordelijkheid is met de soevereiniteitsoverdracht overgegaan naar de Indonesische staat.

Met dit standpunt is niet gezegd dat het kabinet het boek over de Tweede Wereldoorlog sluit. Er zijn middelen uitgetrokken door het ministerie van VWS om beleid te ontwikkelen om vraagstukken te beantwoorden die vanuit betrokken burgers, onderwijs en de wetenschap aan de orde gesteld kunnen worden.

De Indische nalatenschap van de Tweede Wereldoorlog krijgt daarbij voorrang. In 2007 start een pilot-project dat zich specifiek richt op het erfgoed van de Tweede Wereldoorlog in het voormalige Nederlands-Indië.




IP standpunt 12 januari 2007

Den Haag, 12 januari 2007

VERKLARING AAN DE INDISCHE GEMEENSCHAP IN NEDERLAND

Het Nederlandse kabinet weigert opnieuw achterstallige salarissen uit te betalen van groepen rijksambtenaren die in dienst waren tijdens de Japanse bezetting van Nederlands-Indië. Ook komt er geen regeling voor de geleden schade en het rechtsherstel voor Indische-Nederlanders, Molukkers en Nederlanders die in Nederlands-Indië woonden en werkten tijdens en vlak na de Tweede Wereldoorlog.

Naar aanleiding van de gepubliceerde NIOD-rapporten over de zogenaamde backpay-kwestie, de oorlogsschade en het rechtsherstel van Indische-Nederlanders in het toenmalige Nederlands-Indië, heeft een kabinetsdelegatie op vrijdag 12 januari 2007 verklaard dat er geen nieuw beleid komt t.a.v. deze kwesties.

De kabinetsdelegatie, bestaande uit minister-president Balkenende, minister Zalm van Financiën, staatssecretaris Ross-van Dorp van VWS en minister Bot van Buitenlandse Zaken, heeft dit hedenochtend verklaard in de ontmoeting met het Indisch Platform.

Volgens het kabinet zijn de rapporten nauwkeurig bestudeerd en geëvalueerd en dragen die slechts bij tot een verdieping van inzicht, maar geven daarentegen geen aanknopingspunten voor nieuw beleid.

Het Indisch Platform bestaande uit 27 aangesloten organisaties en stichtingen uit de Indische gemeenschap in Nederland en vertegenwoordigd door een delegatie, heeft naar aanleiding van dit kabinetsstandpunt het onaanvaardbaar uitgesproken. In beide voornoemde rapporten staat immers onomstreden vermeld dat er niet voldaan is aan de backpay-betaling. Dit geldt tevens voor de leniging van geleden oorlogsschade en het rechtsherstel.

Tevens heeft het Indisch Platform het kabinet verweten dat het de kans om recht te doen aan de Indische gemeenschap, niet heeft benut doch zich heeft verscholen achter juridische uitspraken vanuit het verleden. Voorts wordt het kabinet verweten de moed te ontberen om de morele verantwoordelijkheid op zich te nemen. Het Indisch Platform is voornemens het hier niet bij te laten en zal op korte termijn de vraagstukken met een nieuw kabinet bespreken en pogen alsnog recht te doen aan deze te lang slepende kwesties voor de Indische gemeenschap.





Brief van het ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Sport d.d. 12 januari 2007 aan de Tweede Kamer, betreffende de Indische backpay-kwestie.


Klik hier om de brief te bekijken